Etappe 7: van Logroño naar Nájera
In Logroño kan de pelgrim genieten van een stad waarvan het oude centrum nog steeds de sfeer ademt van een middeleeuws dorp. De Rúa Vieja - de oudste doorgaande weg van de hoofdstad van de Rioja - en de straat Barriocepo zijn de wegen die de pelgrims nemen om de stad door te lopen, en natuurlijk niet zonder eerst te stoppen bij de kerk van Santiago el Real, met een beeld uit de 17e eeuw van Arnao de Bruselas, een van de belangrijkste werken van het Spaanse maniërisme; San Bartolomé, met zijn Romaanse en gotische, -en zelfs mudejar-- stijl; en de kathedraal van Santa María la Redonda, een prachtige gotische kerk die met twee barokke torens is afgewerkt.
De reiziger verlaat de stad via de poort Camino en vervolgt zijn weg tot Navarrete, waar hij vóór zijn aankomst eerst de resten van het hospitaal van San Juan de Acre ontdekt, dat in opdracht van Doña María Ramírez in de middeleeuwen gebouwd werd. Hij steekt vervolgens de stad door via de middeleeuwse Calle Mayor -die het tracé volgt dat de pelgrimstocht voorschrijft- waar hij langs de kerk van de Asunción, uit de 16e eeuw, loopt en hierna de stad achter zich laat via de begraafplaats die de voorgevel van het eerder genoemde hospitaal en Jacobijnse kapitelen bewaard.
De route gaat vervolgens naar het bekende Nájera, wieg van de koning en het hof van het koninkrijk van Pamplona-Nájera ten tijde van de koning García. Deze koninklijke stad was etappeplaats op de pelgrimsroute vanaf 1030, jaar waarin Sancho de Grote besloot de pelgrimsroute om te leiden. Zijn zoon García IV gaf hierna opdracht het klooster van Santa María la Real en een herberg te bouwen waarmee hij de plaats definitief het karakter van een pelgrimsstad geeft. Het klooster, een prachtige gotische kerk gebouwd op een eerdere kerk aan het begin van de 15e eeuw, bevat de kloostergang en het graf van Doña Blanca, het graf van Diego López de Haro, het koningspantheon en het koor, meesterwerken uit die periode.
Etappe 8: van Nájera naar Santo Domingo de la Calzada
Op de achtste dag van de pelgrimsroute verlaat de reiziger Nájera maar voordat hij zijn weg vervolgt naar Azofra wijkt hij van de pelgrimsroute af om naar de heiligdommen van San Millán de la Cogolla te gaan, die los van de pelgrimstocht van enorm belang waren in het middeleeuwse christelijke Spanje. In San Millán bevinden zicht twee van de meest bekende en belangrijkste kloosters van Spanje, het klooster van Suso, 7e tot 11e eeuw -waarschijnlijk het oudste klooster van het Iberische schiereiland-, en het klooster van Yuso uit de 11e eeuw.
Deze kloosters vormen beiden de wieg van het Spaans en hier werden de eerste woorden in een van de belangrijkste talen ter wereld opgeschreven. Weer terug op de pelgrimsweg naar Santiago, gaat de reiziger verder naar Azofra -een plaats waar een ziekenhuis en een kerk waren waar pelgrims konden worden begraven-, en de plaatsen Cirueña en Hervias. De pelgrimsweg leidt tot slot naar Santo Domingo de la Calzada, een van de belangrijkste etappeplaatsen op de pelgrimsroute naar Santiago en loopt helemaal door de stad heen.
Deze prachtige stad herdenkt in haar naam een monnik -tot heilige uitgeroepen- die een groot deel van zijn leven wijdde de pelgrims te helpen en hij bouwde de brug die over de Oja loopt en de weg die zijn stad met Redecilla verbindt. Aan Santo Domingo zijn verschillende wonderen toebedeeld: het meest bekend is het wonder dat 300 jaar na zijn dood plaatsvond en dat in de volksmond bekend staat als de legende van de haan en de kip.
Deze wonderlijke feiten trokken gedurende eeuwen de pelgrims aan die in Santo Domingo de la Calzada aankwamen -dat in 1134 de stadsrechten had verworven van Alfons XI- met de wens een wonder te kunnen aanschouwen. Eenmaal in Santo Domingo aangekomen moet de reiziger de kathedraal bezoeken, een prachtig gebouw waarvan de bouw halverwege de 12e eeuw gestart en in de gotische periode voltooid werd en dat o.a. het waardevolle mausoleum van de Heilige en een altaarwand in renaissancestijl bewaart. Verder onderscheidt zich de toren uit de 18e eeuw. De stad bezit nog steeds een gasthuis dat door Santo Domingo werd opgericht dat in de 14e eeuw al werd verbouwd en tegenwoordig een 'parador' (staatshotel) herbergt.